Vier Sterren

welkom op de blog van Wim Gabriels

Tag archief: Duurzame ontwikkeling

Etienne Vermeersch – De Ogen Van De Panda

In 1988 publiceerde Etienne Vermeersch “De ogen van de panda – een milieufilosofisch essay”, waarin hij de milieuproblematiek, zowel de onderliggende oorzaken als mogelijke oplossingen, onderzoekt. Het werd al snel een bestseller. Tweeëntwintig jaar later, in 2010, verscheen een nieuwe editie met de bijkomende ondertitel “een kwarteeuw later” (een gerechtvaardigde afronding, omdat zijn ideeën ten tijde van de eerste publicatie al enkele jaren vaste vorm hadden gekregen). De auteur koos ervoor om niets inhoudelijks aan de oorspronkelijke tekst te wijzigen, maar een naschrift toe te voegen waarin hij het werk vanuit hedendaags perspectief becommentarieert.

Ik las het boek een dikke tien jaar geleden al eens, ergens in mijn studententijd, en kon het toen erg waarderen. Het verschijnen van deze nieuwe uitgave leek me een goede gelegenheid om het nog eens te herlezen, om te weten te komen of de argumentatie nog steeds opgaat. En dat blijkt wel degelijk het geval te zijn.

De grondslag van de milieuproblematiek is wat Vermeersch het WTK-bestel noemt: Wetenschap – Technologie – Kapitalisme. Dit WTK-bestel is de motor die onze agro-industriële samenleving in steeds hoger tempo doet draaien. Eenvoudig gezegd: een steeds groeiende kennis mondt uit in technologische innovaties, die op hun beurt de productie van goederen doen toenemen, wat weer bijkomende mogelijkheden schept voor wetenschappelijk onderzoek. Dat heeft ontegensprekelijk zijn goede kanten (voedselzekerheid, gezondheidszorg, onderwijs), en Vermeersch verkettert dit systeem zeker ook niet eenzijdig. Maar doordat de verschillende onderdelen elkaar in de hand werken, raakt het systeem geleidelijk aan volledig ontspoord, en belanden we in een niets ontziende consumptiemaatschappij.
De expansie van dit WTK-bestel gaat gepaard met een steeds sneller toenemende bevolking, uitputting van natuurlijke grondstoffen, achteruitgang van de biodiversiteit en ga zo maar door. Want waar het schoentje knelt, is natuurlijk de eindigheid van onze aarde. We hebben maar een beperkte hoeveelheid vruchtbare aarde, zonlicht, biodiversiteit, water en lucht. Maar het op hol geslagen WTK-bestel blijft steeds sneller groeien, waardoor het vroeg of laat uit zijn voegen moet barsten – met rampzalige gevolgen voor de mensheid, die in zijn eigen voortbestaan bedreigd wordt.

Een kwarteeuw geleden waren er al signalen te over dat het de verkeerde kant opgaat. Vandaag zijn die signalen alleen maar toegenomen. Nochtans zijn enkele van de dreigingen die Vermeersch in het boek noemde (het ozongat en de zure regen) sinds het einde van de jaren tachtig min of meer succesvol aangepakt door gewijzigde productiemethoden. Maar heel wat andere problemen, zoals het broeikaseffect en de achteruitgang van de biodiversiteit, zijn enkel in ernst toegenomen, omdat ze nog veel sterker aan de WTK-expansie gekoppeld zijn. Dergelijke problemen kunnen niet opgelost worden door kleine aanpassingen aan onze productiesystemen. Hoe dan wel? Vermeersch concludeert dat we de WTK-expansie en de ermee gepaard gaande tendensen zoals bevolkingsexplosie en uitputting van grondstoffen tot staan zullen moeten brengen. Dat houdt (onder meer) in dat productie- en consumptieprocessen omgevormd moeten worden tot een cyclisch systeem, waarbij energie uit hernieuwbare bronnen komt en grondstoffen door recyclage teruggewonnen worden.

Dit boek heeft in mijn ogen twee belangrijke verdiensten. Ten eerste weet Vermeersch tot de kern van het milieuprobleem door te dringen door de onderliggende mechanismen te identificeren, wat meteen ook beter inzicht verschaft in de wijze waarop ze aangepakt moeten worden. De tweede grote verdienste situeert zich op ethisch vlak. Vermeersch identificeert zeer duidelijke ethische grondslagen om aan milieubescherming te doen. Vertrekkende vanuit een fundamenteel ethisch principe, namelijk solidariteit met de medemens, argumenteert hij dat er geen enkele reden is om deze solidariteit niet alleen in geografische zin uit te breiden (met mensen uit andere delen van de wereld), maar ook met mensen die nog geboren moeten worden. Want de milieuproblemen die wij nu veroorzaken zullen de toekomstige generaties nog veel harder treffen dan onszelf. Maar deze mensen hebben niet minder recht op onze solidariteit. Dat maakt het oplossen van de milieuproblematiek een morele plicht. Op die manier bewijst Vermeersch dat, zelfs vanuit een strikt antropocentrische visie, er geen enkele reden is om de wereldwijde milieuproblematiek te negeren. Onze achterkleinkinderen zullen ons dankbaar zijn.

Advertenties

De tijd is rijp voor een groene economie

De milieuorganisatie van de Verenigde Naties, UNEP, lanceerde begin deze week de resultaten van een studie waarin de kosten en baten van een groene economie worden afgewogen.

Een groene economie kan gedefinieerd worden als een economie die menselijk welzijn en sociale gelijkheid bevordert en tegelijk duurzaam omgaat met natuurlijke grondstoffen. Dat impliceert dat de uitstoot van broeikasgassen onder controle blijft en biodiversiteit beschermd wordt. Een groene economie is de voorwaarde om een duurzame, leefbare toekomst mogelijk te maken.

Klinkt goed, maar hoe ver staan we van een groene economie af? Zeer ver. De economische groei van de laatste decennia is er in hoofdzaak gekomen door overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen. De wereldzeeën worden overbevist, waterschaarste dreigt op vele plaatsen in de wereld, ontbossing blijft maar doorgaan en intussen zijn we voor onze energie afhankelijk van fossiele brandstoffen die rampzalig zijn voor het klimaat. En sociale gelijkheid is ook verre van realiteit.

De wereldeconomie zou dus maar beter een groene economie worden. Niet haalbaar, wordt vaak gezegd. Welnu, UNEP heeft het dus nagerekend.

Om de omschakeling te realiseren, is een jaarlijkse investering nodig van 1300 miljard Amerikaanse dollar, of omgerekend een slordige 950 miljard euro. Dat komt overeen met zo’n 2 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product. Die investeringen moeten onder meer zorgen voor duurzame landbouw en visserij, omschakeling naar hernieuwbare energie en efficiënter gebruik van energie en water. Uit de studie blijkt dat met die investeringen de wereldwijde economie minstens even snel zal kunnen blijven groeien dan wanneer alles bij het oude blijft. Maar dan wel zonder de risico’s op schaarstes en crisissen die met het oude economische model steeds vaker zullen voorkomen. Bovendien zullen de investeringen op termijn werkgelegenheid en sociale gelijkheid bevorderen.

Kortom, er moet dringend werk gemaakt worden van die omschakeling. Ik stel voor dat ons land voor één keer eens het voortouw neemt. Nu eerst nog een regering vormen…

Bron:
UNEP (2011). Towards a green economy: pathways to sustainable development and poverty eradication. ISBN 978-92-807-3143-9.

Vandaag zitten we door onze jaarvoorraad

Vandaag, 21 augustus 2010, is Earth Overshoot Day voor dit jaar.

De aarde kan jaarlijks een hoeveelheid voedsel voortbrengen en uitgestote broeikasgassen weer opnemen. Het Global Footprint Network maakt elk jaar een schatting van de totale biocapaciteit: de hoeveelheid grondstoffen die de planeet voortbrengt. Dat cijfer kan vergeleken worden met het menselijke verbruik. En dat blijkt hoger te liggen dan de biocapaciteit. Daardoor zijn we in snel tempo de reserves van de aarde aan het opsouperen. Met andere woorden, we verbruiken niet alleen de rente, maar ook het kapitaal van de aarde.

Als vraag en aanbod even groot waren geweest, dan zouden we op 31 december door de voorraad zitten en net niet aan de reserves moeten beginnen knagen. Zo’n drie decennia geleden kwamen we echter voor het eerst niet meer toe en bereikten we een Earth Overshoot Day vóór het einde van het jaar. En sindsdien viel deze dag steeds vroeger in het jaar. Dit jaar moeten we al op 21 augustus onze reserves beginnen aanspreken. Tegen het einde van het jaar zullen we ongeveer 150 procent van de biocapaciteit verbruikt hebben (figuur: Global Footprint Network).

Om het in termen van de ecologische voetafdruk uit te drukken: we hebben dus eigenlijk anderhalve wereldbol nodig om onze consumptiehonger op een duurzame wijze te stillen. Wanneer de hele wereld een voorbeeld zou nemen aan de levensstijl van de Vlamingen, zouden dat zelfs meer dan drie wereldbollen zijn, zoals de Vlaamse Milieumaatschappij een tijdje geleden liet becijferen door Ecolife.

Een bijzonder problematische toestand dus, die om radicale oplossingen vraagt. Constructieve ideeën zijn welkom.

Braungart & McDonough – Cradle To Cradle

De Duitse chemicus Michael Braungart en de Amerikaanse architect William McDonough publiceerden in 2002 de bestseller Cradle to Cradle: Remaking The Way We Make Things. Het concept “Cradle To Cradle” is inmiddels algemeen ingeburgerd geraakt en duikt steeds vaker op in de media (vaak afgekort tot C2C). Maar waar gaat het eigenlijk over? Dus heb ik toch maar eens het boek gelezen.

Cradle To Cradle verwijst naar Cradle To Grave, zoals de levenscyclus van een menselijk consumptieproduct er meestal uitziet: iets wordt geproduceerd (de wieg) en na gebruik eindigt het vroeg of laat als afval (het graf). Daar beginnen de problemen: producten kunnen niet of slechts gedeeltelijk worden hergebruikt en moeten dus gestort of verbrand worden. Daarbij kunnen allerlei toxische bestanddelen voor ernstige problemen zorgen. Wanneer de mens zijn consumptiegedrag minder belastend voor de planeet wil maken, probeert hij dus minder afval te veroorzaken. Maar afval blijft wel afval. Braungart en McDonough stellen een radicalere oplossing voor: als we nu eens alle producten van bij het begin zo ontwerpen, dat er na gebruik helemaal geen sprake meer is van afval, maar uitsluitend van nieuw te gebruiken grondstoffen, van evenwaardige kwaliteit als het origineel. En zo gaan we dus van de wieg van het product naar een nieuwe wieg: Cradle To Cradle.

Afval moet dus voedsel worden, volgens Braungart en McDonough. Elk product moet een tweede leven krijgen, ofwel als biologische voedingsstof (compost bijvoorbeeld), ofwel als technische voedingsstof: uitgangsmateriaal voor nieuwe producten. Als we dat kunnen realiseren, bestaat er geen afval meer. Klinkt allemaal mooi, maar kan het? Voor Braungart en McDonough zelf blijft het alleszins niet bij theorie: het boek bevat verscheidene succesvolle voorbeelden van projecten die ze zelf gerealiseerd hebben.

Of het ooit gaat lukken om de hele productieketen volgens het Cradle To Cradle-concept te laten werken, zal nog moeten blijken. Maar deze manier van werken lijkt mij een essentiële (hoewel zeker niet de enige) voorwaarde om tot een écht duurzame maatschappij te komen: een maatschappij die op geen enkele manier de levenskwaliteit van de volgende generaties in het gedrang brengt. Onder meer door hen niet met een berg gevaarlijk afval op te zadelen.

De Vlaming leeft op zware voet

Hoe belastend is onze levenswijze eigenlijk voor de planeet? En vooral, hoe zou je zoiets kunnen becijferen? Het team MIRA (Milieurapport Vlaanderen) van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) gaf aan Ecolife vzw de opdracht om de ecologische voetafdruk van Vlaanderen te berekenen.

De ecologische voetafdruk is een maatstaf voor de menselijke impact op de planeet en wordt uitgedrukt als de totale benodigde oppervlakte voor productie van grondstoffen (voedsel, veevoeder, energie,…) en verwerking van afval. Het concept werd oorspronkelijk ontwikkeld in de jaren negentig door William Rees en Mathis Wackernagel aan de Universiteit van British Columbia in Canada, en geniet intussen wereldwijde bekendheid. Het grote voordeel ervan is de eenvoud: hoeveel ruimte van deze planeet is er nodig om iemands consumptiegedrag mogelijk te maken? Natuurlijk is zo’n indicator een sterk vereenvoudigde voorstelling van een uiterst complex vraagstuk, maar het geeft wel een idee wat de impact is van onze levenswijze.

De studie kwam uit op een voetafdruk van 6,3 hectare voor de gemiddelde Vlaming. Als je weet dat wereldwijd de totale bruikbare oppervlakte ongeveer 1,8 hectare per wereldburger bedraagt, dan is de rekensom snel gemaakt: als alle mensen zouden leven zoals de Vlamingen, zouden we meer dan drie wereldbollen nodig hebben om hen te kunnen onderhouden. Niet echt iets om trots op te zijn.

Het volledige rapport kan je hier nalezen. En wie zijn persoonlijke ecologische voetafdruk eens wil berekenen, kan terecht op de website van WWF.