Vier Sterren

welkom op de blog van Wim Gabriels

Tag archief: Boeken

Johan Braeckman – Darwins Moordbekentenis

Dit boek stond al een hele tijd op mijn lijstje. Darwins Moordbekentenis – De Ontwikkeling van het Denken van Charles Darwin is van de hand van Johan Braeckman, professor wijsbegeerte aan de Universiteit Gent en Darwin-kenner par excellence.

Dit boek verscheen voor het eerst in 2001, lang vóór de stortvloed aan publicaties over Darwin die losbarstte in 2009 – het jaar van Darwins tweehonderdste verjaardag en de honderdvijftigste van zijn magnum opus On The Origin Of Species. Van die stortvloed aan publicaties heb ik er ook wel wat achter de kiezen, maar dat houdt me niet tegen verder te blijven grasduinen in de mateloos fascinerende wereld van Darwin en de evolutietheorie. En dit boek van Braeckman neemt hier een mooie plaats in.

Dat Braeckman geen bioloog is, maar een filosoof, zorgt meteen voor de aparte invalshoek die van dit boek een boeiende aanvulling maakt op de vele andere Darwin-gerelateerde publicaties die ik reeds onder ogen kreeg. Zoals de titel al aangeeft, schetst Braeckman in dit boek hoe het denken van de jonge Darwin zich geleidelijk ontwikkelt en welke factoren, zoals de tijdsgeest en de invloed van andere denkers, ertoe bijdragen dat hij zijn theorie van evolutie door natuurlijke selectie kan ontwikkelen. De mogelijkheid dat soorten geëvolueerd zijn, was namelijk niet Darwins oorspronkelijke uitgangspunt: de titel Darwins Moordbekentenis verwijst naar een passage uit een brief van Darwin uit 1844 aan zijn goede vriend Joseph Hooker, waarin hij schrijft dat zijn conclusie dat soorten niet onveranderlijk zijn, aanvoelt als een moordbekentenis.

Maar niet alleen de aanloop naar de publicatie van On The Origin Of Species wordt geschetst. Braeckman bespreekt ook de verstrekkende implicaties van Darwins theorie op ons wereldbeeld. De plaats van de mens in het universum, de verwantschap tussen soorten, het bestaan van een schepper: allemaal fundamentele vragen die door de evolutietheorie in een heel ander daglicht kwamen te staan.

Darwins Moordbekentenis is grondig onderbouwd, maar tegelijkertijd verrassend helder en toegankelijk geschreven. Voor wie meer te weten wil komen over Darwin en de evolutietheorie, en hoe cruciaal die theorie wel is voor ons denken en ons wereldbeeld, is dit bijzonder verdienstelijke boek van Johan Braeckman dus een uitstekend vertrekpunt.

Aanvulling (18/7/2013)
Darwins Moordbekentenis is niet meer in de handel verkrijgbaar, maar de uitgever stelt het gratis als pdf ter beschikking!
http://www.nieuwezijds.nl/Boek/9789057122965/Darwins-moordbekentenis/

Advertenties

Edward O. Wilson – Sociobiology

Met deze kanjer ben ik wel even zoet geweest. Sociobiology: The New Synthesis van Edward O. Wilson uit 1975 is in elk opzicht een boek van formaat. Het behoort tot de invloedrijkste boeken van de twintigste-eeuwse biologie, en de publicatie ervan zorgde destijds voor een storm van controverse. Niet vanzelfsprekend, zoveel publieke belangstelling voor een academisch werkstuk van bijna zevenhonderd pagina’s, tjokvol tabellen en referenties. Vanwaar die heisa? Daarvoor moeten we de inhoud van dit boek maar eens nader bekijken.

Het onderwerp is, u raadt het al, sociobiologie. Deze complexe en fascinerende wetenschap bestudeert het sociale gedrag van dieren. Wilson behandelt eerst de evolutionaire mechanismen die aan de basis liggen van alle mogelijke gedragsvormen. In een volgend deel komen de verschillende vormen van sociaal gedrag uitgebreid aan bod, zoals communicatie, agressie, seksueel gedrag en broedzorg. Telkens weer valt daarbij op hoe doorslaggevend de leefomgeving (zoals klimaat, beschikbaarheid van voedsel en aanwezigheid van roofdieren) is voor het gedrag van een soort. Net zoals andere eigenschappen van een soort wordt het gedrag op deze omstandigheden afgestemd door natuurlijke selectie. Het laatste deel van het boek geeft een overzicht van de sociale soorten, gaande van koloniale micro-organismen, over sociale insecten zoals bijen en mieren tot de gewervelden zoals vogels en zoogdieren, waaronder primaten zoals de mens.

Over elk van deze facetten van de sociobiologie geeft Wilson een systematisch overzicht van de bestaande kennis, becommentarieert ze en wijst op leemtes en discussiepunten. Het resultaat is een indrukwekkende synthese, die deze in 1975 nog vrij jonge wetenschap meteen een standaardwerk bezorgde dat bijna vier decennia later nog steeds gezaghebbend is.

De controverse die het boek destijds veroorzaakte was te wijten aan het laatste hoofdstuk. Daarin worden de inzichten uit de rest van het boek toegepast op de mens. Die denkoefening werd niet door iedereen op prijs gesteld. Wilson werd door heel wat academici, onder wie ook andere biologen, verguisd en zelfs (onterecht) van racisme beschuldigd. Tegenwoordig is de kritiek van toen reeds lang verstomd en wordt dit boek algemeen beschouwd als een mijlpaal voor de sociobiologie, en zelfs voor de biologie in het algemeen.

De uitgave die ik las is de 25th Anniversary Edition, een ongewijzigde herdruk uit 2000. Ik heb er mijn tijd voor genomen. Sociobiology: The New Synthesis is dan ook een boek waar je best even voor gaat zitten. Maar als je, zoals ik, meestal op de trein leest, dan heb je met dit volumineuze boek wel aardig wat extra gewicht mee te nemen!

Ward & Brownlee – Rare Earth

Als wij, aardbewoners, met onze geavanceerde technologie naar de andere planeten van ons zonnestelsel kijken, kijkt er van op geen enkele van deze planeten, of hun satellieten, iemand naar ons terug. Tja, op Neptunus is het wat frisjes en Venus is dan weer veel te warm. Maar op een heldere nacht zijn er onnoemelijk veel sterren aan de hemel zichtbaar. Zou het niet wat chauvinistisch zijn om te denken dat enkel ons zonnestelsel een door complexe levensvormen bewoonde planeet bezit?

Twee experts uit erg verschillende vakgebieden bogen zich samen over deze vraag. Peter D. Ward is geoloog en paleontoloog, en Donald Brownlee is astronoom, beiden zijn professor aan de Universiteit van Washington in Seattle (Verenigde Staten). Het resultaat van deze samenwerking was het in 2000 verschenen boek Rare Earth: Why Complex Life Is Uncommon In The Universe. Zij stellen dat de meest eenvoudige levensvormen (zoals de bacteriën op Aarde) wellicht op heel wat planeten in het universum voorkomen, maar dat complexe meercellige levensvormen (zoals de dieren op onze planeet) pas onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen ontstaan en dus bijzonder zeldzaam zijn, mogelijk uniek in ons Melkwegstelsel.

We weten dat reeds relatief kort na het ontstaan van de Aarde (zo’n vijfhonderd miljoen jaar) het eerste leven er verschenen is. Bacterieel leven komt op Aarde in de meest extreme omstandigheden voor, omstandigheden waar geen dieren of planten kunnen overleven. Planeten die onherbergzaam zijn voor complex leven, zijn dat dus niet noodzakelijk voor eenvoudige bacterie-achtige wezens. We kunnen dus vermoeden dat dergelijke levensvormen ook op andere planeten te vinden zijn, misschien zelfs verrassend vaak.

Maar complexe wezens zoals dieren, laat staan intelligente soorten die potentieel in staat zijn tot interplanetaire communicatie, zijn een heel ander verhaal. Je hoort weleens beweren dat het volstaat om een planeet te vinden waar vloeibaar water is, maar Ward en Brownlee leggen uit waarom het zo simpel niet is. Vooreerst moet de chemische samenstelling van een planeet aan heel wat voorwaarden voldoen. Niet alleen water, maar ook heel wat andere chemische componenten zijn onontbeerlijk, en zeker niet op elke planeet in voldoende mate aanwezig. Bovendien moeten de temperaturen stabiel blijven voor lange tijd – lang genoeg om de evolutie haar gang te laten gaan. Verder maakt een teveel aan ioniserende straling (zoals gammastraling) grote delen van de Melkweg onbewoonbaar. De Aarde bevindt zich in dat opzicht op een “veilige” plek. Maar ook hier zijn er gevaren die ons vanuit het heelal bedreigen: we worden gebombardeerd door asteroïden en kometen, die af en toe een ware massa-extinctie bewerkstelligen, zoals toen zo’n 65 miljoen jaar geleden een einde kwam aan de heerschappij der dinosauriërs. Maar dankzij de sterke gravitaire invloed van een reuzenplaneet als Jupiter bereikt slechts een fractie van deze gevaarlijke projectielen de Aarde. De Maan zorgt er door haar grote formaat in verhouding tot de Aarde voor dat de oriëntatie van de rotatie-as van de Aarde stabiel blijft, zodat de seizoenale verschillen in beide hemisferen min of meer constant blijven. De satellieten van de meeste andere planeten zijn verhoudingsgewijs veel kleiner, waardoor een dergelijk effect er ontbreekt. En door het stabiliserend effect van platentektoniek op het klimaat mogen we van geluk spreken dat de Aarde dit zeldzame fenomeen kent. Het zijn maar enkele van de factoren die aantonen dat de geschiedenis van de Aarde een wel erg uitzonderlijke samenloop van omstandigheden geweest is.

Aan sommige details kun je merken dat dit boek al enige jaren oud is (tiens, Pluto is een planeet!). Maar de argumentatie van Ward en Brownlee in dit erg verdienstelijke en vaak geciteerde boek blijft onaangetast: onze Aarde is een bijzondere, misschien wel unieke planeet. We kunnen er maar beter zorg voor dragen.

Etienne Vermeersch – De Ogen Van De Panda

In 1988 publiceerde Etienne Vermeersch “De ogen van de panda – een milieufilosofisch essay”, waarin hij de milieuproblematiek, zowel de onderliggende oorzaken als mogelijke oplossingen, onderzoekt. Het werd al snel een bestseller. Tweeëntwintig jaar later, in 2010, verscheen een nieuwe editie met de bijkomende ondertitel “een kwarteeuw later” (een gerechtvaardigde afronding, omdat zijn ideeën ten tijde van de eerste publicatie al enkele jaren vaste vorm hadden gekregen). De auteur koos ervoor om niets inhoudelijks aan de oorspronkelijke tekst te wijzigen, maar een naschrift toe te voegen waarin hij het werk vanuit hedendaags perspectief becommentarieert.

Ik las het boek een dikke tien jaar geleden al eens, ergens in mijn studententijd, en kon het toen erg waarderen. Het verschijnen van deze nieuwe uitgave leek me een goede gelegenheid om het nog eens te herlezen, om te weten te komen of de argumentatie nog steeds opgaat. En dat blijkt wel degelijk het geval te zijn.

De grondslag van de milieuproblematiek is wat Vermeersch het WTK-bestel noemt: Wetenschap – Technologie – Kapitalisme. Dit WTK-bestel is de motor die onze agro-industriële samenleving in steeds hoger tempo doet draaien. Eenvoudig gezegd: een steeds groeiende kennis mondt uit in technologische innovaties, die op hun beurt de productie van goederen doen toenemen, wat weer bijkomende mogelijkheden schept voor wetenschappelijk onderzoek. Dat heeft ontegensprekelijk zijn goede kanten (voedselzekerheid, gezondheidszorg, onderwijs), en Vermeersch verkettert dit systeem zeker ook niet eenzijdig. Maar doordat de verschillende onderdelen elkaar in de hand werken, raakt het systeem geleidelijk aan volledig ontspoord, en belanden we in een niets ontziende consumptiemaatschappij.
De expansie van dit WTK-bestel gaat gepaard met een steeds sneller toenemende bevolking, uitputting van natuurlijke grondstoffen, achteruitgang van de biodiversiteit en ga zo maar door. Want waar het schoentje knelt, is natuurlijk de eindigheid van onze aarde. We hebben maar een beperkte hoeveelheid vruchtbare aarde, zonlicht, biodiversiteit, water en lucht. Maar het op hol geslagen WTK-bestel blijft steeds sneller groeien, waardoor het vroeg of laat uit zijn voegen moet barsten – met rampzalige gevolgen voor de mensheid, die in zijn eigen voortbestaan bedreigd wordt.

Een kwarteeuw geleden waren er al signalen te over dat het de verkeerde kant opgaat. Vandaag zijn die signalen alleen maar toegenomen. Nochtans zijn enkele van de dreigingen die Vermeersch in het boek noemde (het ozongat en de zure regen) sinds het einde van de jaren tachtig min of meer succesvol aangepakt door gewijzigde productiemethoden. Maar heel wat andere problemen, zoals het broeikaseffect en de achteruitgang van de biodiversiteit, zijn enkel in ernst toegenomen, omdat ze nog veel sterker aan de WTK-expansie gekoppeld zijn. Dergelijke problemen kunnen niet opgelost worden door kleine aanpassingen aan onze productiesystemen. Hoe dan wel? Vermeersch concludeert dat we de WTK-expansie en de ermee gepaard gaande tendensen zoals bevolkingsexplosie en uitputting van grondstoffen tot staan zullen moeten brengen. Dat houdt (onder meer) in dat productie- en consumptieprocessen omgevormd moeten worden tot een cyclisch systeem, waarbij energie uit hernieuwbare bronnen komt en grondstoffen door recyclage teruggewonnen worden.

Dit boek heeft in mijn ogen twee belangrijke verdiensten. Ten eerste weet Vermeersch tot de kern van het milieuprobleem door te dringen door de onderliggende mechanismen te identificeren, wat meteen ook beter inzicht verschaft in de wijze waarop ze aangepakt moeten worden. De tweede grote verdienste situeert zich op ethisch vlak. Vermeersch identificeert zeer duidelijke ethische grondslagen om aan milieubescherming te doen. Vertrekkende vanuit een fundamenteel ethisch principe, namelijk solidariteit met de medemens, argumenteert hij dat er geen enkele reden is om deze solidariteit niet alleen in geografische zin uit te breiden (met mensen uit andere delen van de wereld), maar ook met mensen die nog geboren moeten worden. Want de milieuproblemen die wij nu veroorzaken zullen de toekomstige generaties nog veel harder treffen dan onszelf. Maar deze mensen hebben niet minder recht op onze solidariteit. Dat maakt het oplossen van de milieuproblematiek een morele plicht. Op die manier bewijst Vermeersch dat, zelfs vanuit een strikt antropocentrische visie, er geen enkele reden is om de wereldwijde milieuproblematiek te negeren. Onze achterkleinkinderen zullen ons dankbaar zijn.

Richard Dawkins – Climbing Mount Improbable

De boeken van de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins hebben me nog nooit teleurgesteld. Ik heb ze telkens met veel plezier gelezen, in de toevallige volgorde waarin ik ze in handen kreeg. Verre van chronologisch, maar vermits al zijn boeken los van elkaar gelezen kunnen worden, is dat geen bezwaar. Slechts één had ik nog niet gelezen, namelijk Climbing Mount Improbable uit 1996. Dat hiaat moest ook maar eens opgevuld worden!

De BBC zond in 1991 een reeks van vijf lezingen van Dawkins uit, onder de titel Growing Up in the Universe. Later is uit de inhoud van die lezingen, in sterk gewijzigde vorm, het boek Climbing Mount Improbable voortgekomen. In het Nederlands is het verschenen onder de titel Het Toppunt van Onwaarschijnlijkheid. Het boek behandelt een aantal uiteenlopende onderwerpen uit de evolutionaire biologie, steeds in de voor Dawkins kenmerkende heldere en bevattelijke stijl. De verschillende hoofdstukken staan inhoudelijk nogal los van elkaar, maar dat stoort niet echt: elk apart zijn het ontegensprekelijk boeiende verhalen over hoe natuurlijke selectie kan zorgen voor complexe patronen.

Het overkoepelende thema van het boek is de imaginaire bergtop Mount Improbable. Een verticale, niet te beklimmen, torenhoge helling. Het is een metafoor voor de schijnbaar onbereikbare complexiteit van sommige evolutionaire aanpassingen. Schijnbaar, want Dawkins legt uit dat de top van Mount Improbable langs de andere kant bereikbaar is via een lange, veel zachter glooiende helling. Daarmee bedoelt hij dat veel, maar minder ingrijpende aanpassingen wel mogelijk zijn en dat die in de loop van vele generaties samen wel voor die complexe aanpassingen kunnen zorgen. Met veel, heel veel geduld, bereik je zo geleidelijk aan de top. Het complexe patroon van een spinnenweb, de kunst van het vliegen, het menselijk oog: allemaal aanpassingen waarvan het ontstaan door natuurlijke selectie onwaarschijnlijk lijkt, maar die verklaarbaar zijn door geleidelijke, stapsgewijze aanpassingen.

Kortom, alweer een niet te versmaden boek van Richard Dawkins. Het enige minpunt dat ik bij het beëindigen van dit boek dien te vermelden, is dat ik nu werkelijk álle boeken van Dawkins gelezen heb. Het wordt dus wachten tot de man zijn volgende ei legt. Blijven schrijven, Richard!

Donald R. Prothero – After The Dinosaurs: The Age Of Mammals

Ongeveer 65 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Krijt, beleefde de aarde een massa-extinctie: zowel op het land als in zee stierven soorten bij bosjes uit. Tot de slachtoffers behoorden heel wat planktonsoorten, naast de mosasauriërs en de plesiosauriërs (grote zeereptielen), maar ook de ammonieten (een tot dan toe uiterst succesvolle groep weekdieren), heel wat landplanten, de pterosauriërs (vliegende reptielen) en natuurlijk de dinosauriërs (met uitzondering van de vogels). Terwijl de hoogdagen van de dinosauriërs en de daaropvolgende massa-extinctie geregeld op de belangstelling van het grote publiek kunnen rekenen, krijgt de era die erop volgde en tot vandaag voortduurt, nauwelijks media-aandacht.

Nochtans is deze tijd, die bekend staat als het Cenozoïcum, een uitermate boeiende en bewogen era. Bovendien is het pas in het Cenozoïcum dat het echte succesverhaal van de zoogdieren (die tot dan toe slechts een bijrol in de geologische geschiedenis bekleedden) zich afspeelt. En natuurlijk is ook onze eigen soort, de mens, een product van deze era.

Donald R. Prothero, geoloog van het California Institute of Technology, wijdde een boek aan het Cenozoïcum, namelijk After The Dinosaurs: The Age Of Mammals uit 2006. Daarmee vulde hij een leemte op, want er bestond over deze era vreemd genoeg geen recent overzichtswerk.

In het begin van het boek staat Prothero stil bij de mogelijke oorzaken en uiteraard ook gevolgen van de massa-extinctie aan het einde van het Krijt, om vervolgens in het eerste tijdvak van het Cenozoïcum te duiken: het Paleoceen. En zo krijgt elk tijdvak achtereenvolgens een hoofdstuk toebedeeld. Telkens bespreekt de auteur de klimatologische en geologische ontwikkelingen en de gevolgen voor de levende wezens die de zeeën en continenten bevolken. En er blijken in het Cenozoïcum nogal wat omwentelingen plaatsgevonden te hebben. De Atlantische Oceaan werd geleidelijk aan breder. Omstreeks 55 miljoen jaar geleden trad een plotse opstoot van broeierig warme temperaturen op, waarschijnlijk als gevolg van het vrijkomen van grote hoeveelheden methaangas die door een lichte opwarming van het oceaanwater werden vrijgesteld uit methaanhydraat in de oceaanbodem. De aarde koelde nadien geleidelijk aan weer af. Zo’n 33 miljoen jaar geleden ontstond een permanente Antarctische ijskap. Ondertussen evolueerden zoogdieren van kleine knaagdierachtige wezens tot diverse gespecialiseerde vormen zoals vleermuizen, olifantachtigen, herkauwers, carnivoren, walvisachtigen en primaten. Andere groepen zoogdieren stierven dan weer uit. Ook bij de vogels ontwikkelden zich heel wat bijzondere, soms spectaculaire vormen zoals de Phorusrhacidae of terror birds, enorme landroofvogels uit Zuid-Amerika. Het lot van deze laatste werd echter bezegeld toen Noord- en Zuid-Amerika omstreeks drie miljoen jaar geleden na langdurige isolatie opnieuw met elkaar verbonden raakten. Migratie van grote aantallen soorten tussen de twee continenten was het gevolg, evenals het verdwijnen van heel wat soorten, waaronder de terror birds. Het einde van het Cenozoïcum wordt dan weer gekenmerkt door een cyclische opeenvolging van ijstijden, waarin de ijskappen (die intussen zowel op de Zuid- als de Noordpool permanent aanwezig zijn) zich sterk uitbreiden. Deze ijstijden worden telkens afgewisseld met periodes waarin de ijskappen weer kleiner worden, de zogenaamde interglacialen. De huidige tijd, het Holoceen, is het recentste interglaciaal.

Dit alles is maar een kleine greep uit de vele omwentelingen die het Cenozoïcum kenmerken. Maar de meest dramatische gebeurtenis uit deze era ontmoeten we pas bij het einde van het boek: een nieuwe massa-extinctie. En zo is de cirkel rond: het Cenozoïcum begint en eindigt met een massale uitstervingsgolf. Maar de huidige massa-extinctie is anders dan alle vorige, want ze wordt veroorzaakt door één enkele soort, de mens. Een pijnlijke vaststelling.

After The Dinosaurs: The Age Of Mammals bevat meer dan dertig pagina’s referenties (waaronder onderzoek van de auteur zelf), en de tekst zelf (ruim driehonderd bladzijden) is voorzien van een groot aantal verduidelijkende illustraties, foto’s en grafieken. Kortom, een bijzonder goed gedocumenteerd boek van een auteur die duidelijk grondig tewerk is gegaan.

Rebecca Skloot – The Immortal Life Of Henrietta Lacks

Enig idee wat HeLa-cellen zijn? Dat zijn cellen die overal ter wereld in laboratoria gekweekt worden voor allerlei medische experimenten. De cellen groeien, delen zich in twee dochtercellen en die groeien op hun beurt weer verder. Omdat deze HeLa-cellen onbeperkt verder blijven groeien en vermenigvuldigen, wordt het een “onsterfelijke” cellijn genoemd. Deze cellijn heeft de medische wetenschap reeds onschatbare diensten bewezen.

Maar waar komen die cellen vandaan? Dat brengt ons bij Henrietta Lacks, een zwarte vrouw en moeder van vijf kinderen die in 1951 stierf in een hospitaal in het Amerikaanse Baltimore aan een bijzonder agressieve vorm van baarmoederhalskanker. Tijdens haar behandeling nam de arts, zonder haar medeweten, een staal van de tumor en bezorgde het aan Dr. George Gey, die al jaren probeerde menselijke tumorcellen in cultuur te brengen, in de hoop de oorzaak van kanker te kunnen vinden. Tot dan toe waren zijn pogingen niet succesvol: hij slaagde er maar niet in om tumorcellen van patiënten onbeperkt verder te laten groeien. Maar met de cellen van Henrietta Lacks draaide het anders uit. Deze groeiden en bleven groeien. Het resultaat was de HeLa-cellijn. Deze cellijn bestaat vandaag, zestig jaar later, nog steeds.

De impact ervan op de medische wetenschap is indrukwekkend. HeLa-cellen bewezen onder meer reeds hun diensten bij het ontwikkelen van het poliovaccin, chemotherapie, in-vitrofertilisatie en genetisch onderzoek. In 2009 waren er reeds meer dan 60 000 wetenschappelijke artikels gepubliceerd over onderzoek met HeLa-cellen, en kwamen er nog steeds meer dan 300 artikels per maand bij.

De identiteit van de vrouw die aan de basis van de HeLa-cellijn lag, bleef echter lang onbekend. Zelfs haar familie was jarenlang niet op de hoogte van het bestaan van de cellijn. Uiteindelijk raakte Henrietta’s naam dan toch algemeen bekend, en kwamen ook de familieleden, tot hun grote ontsteltenis, te weten dat cellen afkomstig van hun moeder reeds jarenlang in laboratoria gekweekt werden en het voorwerp waren van een miljoenenbusiness. Een financiële compensatie hebben ze echter nooit gekregen. Een pijnlijke vaststelling is dat terwijl miljoenen mensen gebaat zijn met de medische ontwikkelingen die we mede aan Henrietta Lacks te danken hebben, haar eigen familieleden zich maar met moeite medische zorgen kunnen veroorloven.

Over Henrietta Lacks en haar familieleden was tot voor kort maar weinig bekend. De Amerikaanse schrijfster Rebecca Skloot bracht hier verandering in. Ze zocht contact met de familieleden en deed jarenlang geduldig onderzoek om het verhaal te reconstrueren. Het resultaat is een uiterst boeiend boek, getiteld “The Immortal Life Of Henrietta Lacks”. De schrijfster richtte tevens de Henrietta Lacks Foundation op, ten voordele van de nakomelingen van Henrietta.

Het boek kaapte al een indrukwekkende serie prijzen weg en is intussen ook in het Nederlands vertaald (getiteld Het Onsterfelijke Leven Van Henrietta Lacks). En Oprah Winfrey zou van plan zijn het te verfilmen. De naam Henrietta Lacks zal dus niet snel meer vergeten worden, en dat hebben we te danken aan dit bijzonder lezenswaardige boek van Rebecca Skloot.

Stephen Jay Gould – Wonderful Life

De in 2002 overleden Amerikaanse paleontoloog Stephen Jay Gould schreef naast zijn wetenschappelijke publicaties ook heel wat toegankelijkere werken over evolutie. Hij was één van de zeldzame vooraanstaande biologen met een zekere bekendheid bij het grote publiek (in 1997 vertolkte hij zelfs een gastrol in The Simpsons).

Zijn boek “Wonderful Life” uit 1990 behandelt de fossielenrijkdom van de Burgess Shale. Deze geologische site in Brits-Columbia (Canada) stamt uit het midden van het Cambrium, een van de vroegste geologische periodes waarvan dierlijke fossielen bekend zijn. De fossielen van de Burgess Shale zijn ruim 500 miljoen jaar oud (meer dan tweemaal zo oud als de vroegste dinosauriërs). Het is één van de weinige vindplaatsen van fossielen uit het Cambrium waarin ook zachte onderdelen van dieren bewaard zijn gebleven. Dierlijke fossielen bestaan doorgaans enkel uit harde onderdelen, zoals tanden of skeletten van gewervelden of schelpen van weekdieren. Fossielen van zachte onderdelen zijn erg uitzonderlijk. Dat maakt de Burgess Shale een enorm waardevolle bron van kennis over de vroege evolutie van dierlijk leven op aarde.

De Burgess Shale werd in 1910 ontdekt door Charles Walcott, een Amerikaanse paleontoloog. Hij beschreef de meeste fossiele diersoorten die er voorkwamen en deelde ze in bij uiteenlopende reeds gekende phyla (een phylum is het hoogste hiërarchische indelingsniveau binnen het dierenrijk, voorbeelden zijn de geleedpotigen, de weekdieren en de chordadieren). Sindsdien werden de fossielen van de Burgess Shale lange tijd nauwelijks nog bestudeerd.

Pas in de jaren zeventig en tachtig van vorige eeuw werden deze fossielen voor het eerst aan een grondig onderzoek onderworpen. Dat was hoofdzakelijk het werk van drie onderzoekers van de universiteit van Cambridge: Harry Whittington, Derek Briggs en Simon Conway Morris. Hun technieken leverden een veel beter inzicht op in de lichaamsbouw van deze dieren. Geleidelijk aan werd duidelijk dat de dieren uit de Burgess Shale een enorme diversiteit in anatomie vertoonden en dat, in tegenstelling tot wat Walcott aannam, een aanzienlijk deel ervan zelfs bij geen enkel vandaag nog voorkomend phylum ondergebracht kan worden. Ze beschreven de meest uiteenlopende bizarre creaturen die niet zouden misstaan in een SF-film, zoals Anomalocaris, de toepasselijk genaamde Hallucigenia en mijn persoonlijke favoriet, Opabinia.

De anatomische diversiteit die bestond ten tijde van de Burgess Shale schijnt in de loop van de geschiedenis dus sterk gereduceerd geraakt te zijn waarbij een beperkt aantal phyla wel bleven bestaan (waarvan de geleedpotigen en de chordadieren tot de meest succesvolle behoren). Gould grijpt het verhaal van de Burgess Shale aan om een fundamentele vraag over de evolutie van het leven op aarde te stellen: wat als we de klok terug zouden draaien en alles opnieuw laten beginnen? Zouden opnieuw dezelfde diergroepen dominant worden of zou alles een totaal andere wending krijgen?

Niet alles hangt af van adaptatie. Ook de andere phyla die voorkwamen in het Cambrium, waren uitstekend aangepast aan hun omgeving. Gould ziet geen reden om aan te nemen dat de phyla die vandaag zo succesvol zijn, toen reeds een stapje voor hadden. Hij hecht groot belang aan wat hij zelf contingency noemt. Veranderende omstandigheden die plotseling een bepaalde diergroep een competitief voordeel bezorgen, kunnen door toeval bepaald zijn. Een mooi voorbeeld betreft de zoogdieren, die miljoenen jaren in de schaduw leefden van de oppermachtige dinosauriërs. Toen die laatste (met uitzondering van de vogels) aan het einde van het Krijt het loodje moesten leggen tijdens de grote uitstervingsgolf veroorzaakt door de inslag van een asteroïde, bleken de tot dan toe marginale zoogdieren over de eigenschappen te beschikken die hen in staat stelden door het oog van de naald te kruipen. Als we de klok opnieuw zouden laten lopen, te beginnen bij het Cambrium, zou de kans op dezelfde uitkomst volgens Gould dan ook verwaarloosbaar zijn. Ook het bestaan van de mens is dus geenszins een noodzakelijk eindresultaat.

Wonderful Life stamt uit 1989, en het onderzoek heeft intussen niet stilgestaan. Daardoor is onze visie op heel wat van de beschreven soorten intussen sterk veranderd. Hallucigenia bijvoorbeeld is intussen letterlijk op zijn kop gezet, Nectocaris bleek een primitief weekdier te zijn en Anomalocaris, die aanvankelijk als predator werd gezien, had misschien toch geen trilobieten op zijn menu staan. De wetenschappelijke inzichten zullen uiteraard blijven evolueren, en dat is maar goed ook. Niettemin blijft dit boek van Gould een uitstekende inleiding in de fascinerende wereld van de Burgess Shale, die ik ten zeerste kan aanbevelen.

Brian Switek – Written In Stone

Eigenlijk hebben we geen fossielen nodig om te weten dat het leven op aarde geëvolueerd is uit gemeenschappelijke voorouders. De wetenschappelijke bewijzen daarvoor zijn overweldigend en ondubbelzinnig. Maar zonder fossielen blijft de geschiedenis van het leven op aarde een gesloten boek. Fossielen geven ons een idee wat voor soorten er in het verleden bestaan hebben, welke uitgestorven zijn en welke zich verder tot andere, vandaag nog bestaande, soorten ontwikkeld hebben.

Brian Switek, een jonge Amerikaanse freelance auteur en blogger, schreef daarover het boek Written in Stone – Evolution, the Fossil Record, and Our Place in Nature. Het is zijn debuut, en verscheen in 2010. Switek vertelt hoe dankzij fossielen ons inzicht in het verloop van de evolutie van het leven op aarde geleidelijk veranderd is. Zo vernemen we onder meer hoe geleidelijk aan het inzicht gegroeid is over hoe vogels uit dinosauriërs ontstonden, hoe walvissen zich ontwikkeld hebben uit landzoogdieren en hoe de mens geëvolueerd is uit andere primaten. Al deze verhalen zorgen samen voor een boeiende inzage in de rijke geschiedenis van de paleontologie, haar belangrijkste vertegenwoordigers, de historische vondsten en de soms verhitte discussies die ze opwekten. Deze schat aan informatie weet Switek samen te ballen in een vlot leesbaar geheel van nog geen driehonderd bladzijden, voorwaar geen geringe prestatie!

Switek wijst er ook op hoe paleontologische vondsten langzaam maar zeker de verouderde opvatting ondergroeven dat evolutie een ééndimensionale, rechtlijnige vooruitgang van een oorspronkelijke vorm naar een andere, “verbeterde”, vorm zou zijn. De fossielen van onderling verwante soorten in opeenvolgende tijdlagen geven vaak blijk van sterk vertakkende evolutionaire patronen, waarbij uit vele vertakkingen weer nieuwe takken groeien en sommige weer uitsterven. De evolutie heeft dus geen “doel” maar is eerder de speelbal van toevallige omstandigheden. Wat als de asteroïde die 65 miljoen jaar geleden op aarde insloeg en het uitsterven van de dinosauriërs (behalve de vogels) veroorzaakte, de aarde gemist had? Dan was het verhaal heel anders gelopen en was er van de mens waarschijnlijk nooit sprake geweest. We zijn dus niet het einddoel maar een klein onderdeel van de lange geschiedenis van onze planeet, en door die geschiedenis te leren kennen, leren we ook onszelf beter kennen. Het lezen van “Written In Stone” is alvast een goede start om die geschiedenis te leren kennen.

Charles Darwin – The Voyage Of The Beagle

Charles Darwin is in de eerste plaats bekend omwille van On The Origin Of Species, het boek waarmee hij in 1859 een wetenschappelijke revolutie ontketende. De kiem voor Darwins ideeën over evolutie werd echter al enkele decennia eerder gelegd, door de vele indrukken die hij opdeed tijdens zijn beroemde reis met de Beagle.

Darwin was nog niet lang afgestudeerd toen hem de kans werd geboden om deel te nemen aan de tweede reis van de H.M.S. Beagle, een schip van de Britse Royal Navy. Het doel van die reis was onder meer om overzeese gebieden in kaart te brengen. Darwin zou meereizen als gast van de kapitein, Robert FitzRoy, als natuuronderzoeker van het schip. In 1831 vertrok de Beagle vanuit Engeland met de 22-jarige Darwin aan boord. De reis zou uiteindelijk net geen vijf jaar duren, en een onuitwisbare indruk nalaten op de jonge natuurvorser (het schilderij hiernaast toont Darwin op circa 31-jarige leeftijd door George Richmond).

Blogs bestonden natuurlijk nog niet, maar Darwin maakte tijdens zijn reis wel uitgebreid notities. Daaruit ontstond later een boek, dat voor het eerst verscheen in 1839. Ik las een uitgave van de tekst van de editie uit 1845. Het droeg de titel Journal Of Researches Into The Natural History And Geology Of The Countries Visited During The Voyage Of H.M.S. Beagle Round The World, maar staat tegenwoordig kortweg bekend als The Voyage Of The Beagle.

Het grootste deel van de reis speelt zich af in Zuid-Amerika, maar ook Australië, Nieuw-Zeeland en een groot aantal andere eilanden passeren de revue. Waar de Beagle ook aanmeert, doorkruist Darwin het binnenland, maakt hij kennis met de inheemse bevolking, beklimt bergen, bestudeert fauna, flora en geologie van de bezochte landen, en stuurt verzamelde fossielen en exemplaren van planten en dieren naar wetenschappers in zijn thuisland, die er een flinke kluif aan hebben.

Over Darwin zelf of zijn reisgezellen kom je weinig te weten. Hij beperkt zich in zijn relaas hoofdzakelijk tot de landschappen, planten, dieren en mensen die zijn pad kruisen. Daarbij neemt hij geen blad voor de mond: wanneer een gebied of bevolkingsgroep hem niet bevalt, schrijft hij dat ook gewoon. Maar zijn proza is op zijn mooist wanneer hij de pracht en grootsheid van het landschap beschrijft, zoals bijvoorbeeld in deze passage over de tropische vegetatie in Bahia, aan de Braziliaanse kust:

When quietly walking along the shady pathways, and admiring each successive view, I wished to find language to express my ideas. Epithet after epithet was found too weak to convey to those who have not visited the intertropical regions, the sensation of delight which the mind experiences. I have said that the plants in a hothouse fail to communicate a just idea of the vegetation, yet I must recur to it. The land is one great wild, untidy, luxuriant hothouse, made by Nature for herself, but taken possession of by man, who has studded it with gay houses and formal gardens. How great would be the desire in every admirer of nature to behold, if such were possible, the scenery of another planet! yet to every person in Europe, it may be truly said, that at the distance of only a few degrees from his native soil, the glories of another world are opened to him. In my last walk I stopped again and again to gaze on these beauties, and endeavoured to fix in my mind for ever, an impression which at the time I knew sooner or later must fail. The form of the orange-tree, the cocoa-nut, the palm, the mango, the tree-fern, the banana, will remain clear and separate; but the thousand beauties which unite these into one perfect scene must fade away; yet they will leave, like a tale heard in childhood, a picture full of indistinct, but most beautiful figures.

Darwin komt in het boek naar voor als een gedreven en scherpzinnig onderzoeker, die steeds een logische verklaring probeert te vinden voor de fenomenen die hij ziet. Zo leidt het bezoek aan een aantal koraaleilanden ertoe dat Darwin als eerste in de geschiedenis het ontstaan van de verschillende types koraaleilanden, zoals atollen, weet te verklaren.

Maar wie Darwin zegt, zegt evolutie, en dus speur je als lezer gretig naar hints over zijn ideeën op dat gebied. Over de variatie van de verschillende vinkensoorten op de Galapagoseilanden schrijft hij (in de editie van 1845, nog niet in die van 1839):

Seeing this gradation and diversity of structure in one small, intimately related group of birds, one might really fancy that from an original paucity of birds in this archipelago, one species had been taken and modified for different ends.

En zo ben je er getuige van hoe ideeën over de verwantschap der soorten langzaam maar zeker beginnen te rijpen in het hoofd van Darwin. Maar zijn evolutietheorie zou hij voorlopig nog niet met de rest van de wereld delen… tot hij een brief kreeg van een andere globetrotter: Alfred Russel Wallace. De rest is geschiedenis. Voor wie wil weten hoe het allemaal begon voor Darwin, is The Voyage Of The Beagle aanbevolen lectuur. Een fascinerend boek.

Dennis McCarthy – Here Be Dragons

Het is een populaire misvatting dat op oude kaarten en wereldbollen op onbekende gebieden de waarschuwing “hic sunt dracones” (“hier zijn draken”) te lezen stond. Dennis McCarthy, wetenschappelijk onderzoeker aan het Buffalo Museum of Science (New York State, Verenigde Staten), legt uit dat er welgeteld één oude wereldbol bekend is waarop die boodschap voorkomt. Op de Hunt-Lenox wereldbol uit circa 1506, één van de oudst bekende wereldbollen, staat inderdaad “HC SVNT DRACONES” ter hoogte van Zuidoost-Azië. Maar zelfs die ene aanduiding op de Hunt-Lenox wereldbol verwijst in feite misschien naar de beruchte Komodovaraan (Engels: Komodo dragon) die inderdaad op enkele eilanden in Zuidoost-Azië voorkomt. Blijkbaar werden echte draken ook toen al grotendeels tot het rijk der fabelen gerekend.

De zinssnede is wel een gedroomde titel voor een boek over biogeografie. En zo titelde Dennis McCarthy zijn eerste boek, uit 2009, Here Be Dragons – How The Study Of Animal And Plant Distributions Revolutionized Our Views Of Life And Earth. Maar wat is biogeografie precies?

De biogeografie bestudeert de verspreiding van soorten in tijd en ruimte. Dat is niet zo triviaal als je misschien zou denken. Dennis McCarthy merkt op dat enkele van de belangrijkste wetenschappelijke revoluties uit de geschiedenis ontketend zijn door mensen die zich in de biogeografie verdiept hadden: Charles Darwin, Alfred Russel Wallace, Alfred Wegener en Edward O. Wilson om er slechts enkele te noemen. De studie van verspreidingspatronen van planten en dieren levert ons onschatbare informatie over de geschiedenis van onze planeet.

Voordat Darwin in 1859 zijn On The Origin Of Species publiceerde, heerste de oude opvatting dat alle soorten perfect gecreëerd zijn om in harmonie met hun fysische omgeving te leven. Maar kennis van biogeografie legt een fundamenteel probleem met deze zienswijze bloot. Want op basis van die theorie zou je verwachten dat op ver uit elkaar gelegen, maar gelijkaardige gebieden (bijvoorbeeld bergtoppen op verschillende continenten) dezelfde soorten zouden leven. Maar dat blijkt niet zo te zijn: de gelijkenissen tussen soorten zijn groter binnen éénzelfde gebied, dan bijvoorbeeld tussen twee continenten. De oude theorie bood geen verklaring voor deze gelijkenissen en verschillen. De verklaring moet natuurlijk gezocht worden in onderlinge verwantschappen. Daarom vind je zoveel soorten buideldieren in Australië en geen enkele in Europa: ze zijn onderling verwant, geëvolueerd uit een gemeenschappelijke voorouder.

Van Mesosaurus, een uitgestorven zoetwaterreptiel, weten we op basis van fossielen dat het voorkwam in het zuiden van Afrika en van Zuid-Amerika, maar nergens anders. Bizar, want hoe kon het deze afstand overbruggen terwijl het geen andere gebieden heeft kunnen koloniseren? Of waren beide gebieden ooit met elkaar verbonden? En zo komen we bijna vanzelf bij de continentendrift: de Atlantische Oceaan bestond nog niet ten tijde van Mesosaurus. Pas nadat de Oude en de Nieuwe Wereld van elkaar gescheiden waren, begonnen de soorten aan beide zijden uit elkaar te evolueren.

Met deze en vele andere voorbeelden toont dit boek aan hoe de biogeografie mee aan de basis lag van enkele fundamentele wetenschappelijke omwentelingen. Deze weinig bekende, maar uiterst belangrijke tak van de wetenschap vertelt ons waarom de verspreiding van planten en dieren over de wereld vandaag is zoals ze is, en niet anders.

Darren Naish – The Great Dinosaur Discoveries

Er zijn zo van die onderwerpen die me nooit, maar dan ook nooit vervelen. Dinosauriërs bijvoorbeeld. Deze raadselachtige groep gewervelden heeft de ecosystemen op het land meer dan 150 miljoen jaar lang gedomineerd. Ze vertoonden een enorme diversiteit in uiterlijk en levenswijze, gaande van de grote plantenetende sauropoden, die de grootste landdieren aller tijden voortbrachten, tot de gehoornde Triceratops, vleesetende theropoden zoals Tyrannosaurus en natuurlijk de vogels (want die behoren ook tot de dinosauriërs). En zo’n 65 miljoen jaar geleden stierven ze op korte tijd bijna allemaal uit; enkel de vogels bleven bestaan.

Hoe zag de wereld eruit vóór die grote massa-extinctie? Alles zullen we nooit kunnen achterhalen. Maar dankzij wetenschappelijk onderzoek komen we steeds meer te weten over hoe dinosauriërs eruitzagen, over hun onderlinge verwantschappen, ecologie en zelfs hun gedrag.

Er zijn heel wat goede boeken over dit onderwerp op de markt, zoals het aantrekkelijk vormgegeven The Great Dinosaur Discoveries uit 2009. Het is van de hand van Darren Naish, een Britse paleobioloog en schrijver van boeken over wetenschap.

Het opzet van het boek is vrij origineel, want het gaat niet systematisch, maar historisch tewerk. We keren dus terug naar de jaren twintig van de negentiende eeuw, toen de eerste soorten werden bescheven: Megalosaurus, beschreven door William Buckland in 1824 en Iguanodon, beschreven door Gideon Mantell in 1825 op basis van enkele fossiele tanden (voor de spectaculaire vondst in Bernissart was het nog wachten tot 1878). En zo volgt het boek verder de belangrijke doorbraken tot vandaag. Deze chronologische aanpak geeft een mooie inkijk in hoe kennis evolueert, hoe de wetenschap dankzij nieuwe vondsten nieuwe verbanden kan leggen en hoe recente technologieën hierin een onschatbare bijdrage kunnen leveren.

Het hoeft dus niet te verbazen dat ik dit rijkelijk geïllustreerde boek (letterlijk alle 181 bladzijden zijn voorzien van prachtige foto’s en illustraties) als een hongerige Tyrannosaurus verslonden heb. De allerlaatste pagina heb ik met tegenzin moeten omdraaien. Gelukkig houdt de wetenschap er niet mee op en gaat dit verhaal dus verder. Ik kan nauwelijks wachten!